Wij zijn vastbesloten om iedere cliënt het beste te bieden.
Marteau LS (Legal Services) is in 2024 gestart door Jeroen den Hamer. Marteau LS werkt met name voor corporates, investeerders, financials en particulieren en opereert op diverse rechtsgebieden.
Jeroen den Hamer
Founder, lawyer
Jeroen is ruim 20 jaar actief in de juridische dienstverlening, waarvan zo'n 14 jaar als advocaat op de Zuidas. In 2012 werkte hij in London.
Jeroen studeerde aan de Universiteit Utrecht, Universiteit van Amsterdam en Nyenrode Business University.
Jeroen heeft ruime ervaring met het begeleiden en managen van fusie- en overnametrajecten, financieringstransacties, het structuren van innovatieve financiële producten en dienstverlening en het begeleiden van vergunningsaanvraagtrajecten hiervoor, Hij heeft specialistische kennis op het gebied van AI, FinTech en met het adviseren en procederen inzake het financieel recht en corporate governance.
Met zijn kennis en ervaring en brede kijk op zaken is hij een waardevolle sparring partner en adviseur. Hij is gedreven en heeft als één van de eerste werknemers van een internetpionier (nog steeds) een bijzondere interesse in alles wat met IT en AI te maken heeft.
Legal500 omschreef Jeroen als "knowledgeable".
Cliënten gaven aan: "he is very dedicated and in touch with our needs as clients. He has an in-depth understanding of how the financial markets operate and translates that to accurate, in depth and practical legal regulatory advice” en: “I think he’s very client-oriented. He’s basically able to sketch out the main alternatives fairly briefly and in an understandable way.”
Jeroen schrijft regelmatig voor het vakblad Rechtspraak Aansprakelijkheids- en Verzekeringsrecht en is medewerker van Onderneming en Financiering,
Een selectie van zijn publicaties in diverse bladen is hieronder te vinden.
Regulering van betaaldienstverlening onder PSD2
Is tech eating everything?
O&F, 1-4-2018.
Op 13 januari 2018 moest de herziene richtlijn betaaldiensten zijn omgezet in Nederlandse wet- en regelgeving.
Deze richtlijn is beter bekend als ‘PSD II’. Over PSD II is al veel gezegd en geschreven, en niet alleen in de juridische literatuur. Zo heeft het FD recent bericht dat met het naderen van de implementatiedeadline de ‘strijd’ tussen banken en FinTechs zijn climax nadert. Andere dienstverleners dan banken, zoals start-ups, FinTechs en BigTechs als Alibaba, Amazon, Apple en Google, zouden dankzij PSD II een grote bedreiging kunnen gaan vormen voor de traditionele banken.
De buitenlanders komen: AIFMD-vergunningplicht voor collectieve belegging in vastgoed?
VGR, 1-5-2015.
Nederlands vastgoed is momenteel erg in trek bij buitenlandse investeerders.
In 2014 liepen de investeringen in Nederlands vastgoed op tot €9 miljard en de verwachting is dat buitenlandse fondsen de komende jaren nog meer zullen gaan investeren in Nederlands vastgoed.
In deze rubriek geven wij in het kader van mogelijke markttoetreding door buitenlandse investeerders of beheerders een schets op hoofdlijnen van de regulering voor (buitenlandse) beheerders in Nederland.
Toezicht op beleggingsinstellingen
de DUFAS principles of Fund Governance
VGR, 1-2 2009.
De AFM heeft de de aandacht van beleggingsinstellingen willen vestigen op de Principles of Fund Governance van de Dutch Fund and Asset Management Association (DUFAS).
De gedragscode is door DUFAS gepubliceerd in februari 2008 in reactie op de door de Commissie Modernisering Beleggingsinstellingen (de Commissie-Winter) eind 2004 gedane aanbevelingen voor de wijze waarop deze instellingen zijn georganiseerd.
De AFM geeft aan dat zij actief gaat toezien op fund governance. In deze bijdrage bespreek ik op hoofdlijnen de opzet en inhoud van de Gedragscode.
HR 20-06-2025, ECLI:NL:HR:2025:945 (Truckkartel)
RAV 2025/82.
Mededingingsrecht. Kartelschadeclaims. Toepasselijk recht. ‘Marktregel’. Prejudiciële vragen.
Welk recht is van toepassing op follow-on vorderingen, d.w.z. vorderingen tot vergoeding van schade als gevolg van een enkele en voortdurende inbreuk op het kartelverbod van art. 101 VWEU en art. 53 EER-Overeenkomst?
In 2016 en 2017 heeft de Europese Commissie met twee beschikkingen boetes opgelegd van in totaal circa 3,81 miljard euro aan verschillende vrachtwagenfabrikanten wegens inbreuken op het kartelverbod van art. 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en art. 53 van de EER-Overeenkomst omdat op de Europese markt voor vrachtwagens een kartel van truckfabrikanten heeft bestaan. Het ging hierbij om een zgn. enkele en voortdurende inbreuk (‘single and continuous infringement’).
In deze zaak bestond de enkele en voortdurende inbreuk eruit dat er door de betrokken fabrikanten heimelijke prijsafspraken zijn gemaakt over de verhogingen van de brutoprijs voor vrachtwagens in de Europese Economische Ruimte (EER), alsmede over het tijdstip en de doorberekening van kosten voor de invoering van de voor bepaalde Europese normen vereiste emissietechnologieën voor vrachtwagens.
HR 05-09-2025, ECLI:NL:HR:2025:1237
RAV 2025/92.
Zakelijke kredietverlening. Zorgplicht bank. Waarschuwingsplichten.
Een melkveebedrijf, gedreven in de vorm van een maatschap, heeft in 2014 bij een grootbank een kredietovereenkomst gesloten voor de uitbreiding van de stalcapaciteit en veestapel. De maten waren vader, moeder en later ook hun zoon. Het zakelijke krediet zou worden aangewend voor de bouw van een nieuwe stal en de aankoop van grond om die uitbreiding te kunnen verwezenlijken. De veronderstelling van de maten was hierbij dat na de afschaffing van het melkquotum per 1 april 2015 ruimte bestond om te groeien.
Op 1 januari 2018 heeft de wetgever voor de melkveesector echter een fosfaatrechtenstelsel ingevoerd met als peildatum 2 juli 2015 om in algemene zin een verantwoorde groei van de melkveehouderij te realiseren en de fosfaatproductie van de sector te sturen met een stelsel van grondgebondenheid en mestverwerking. Het eerdere systeem van het melkquotum werd hierbij afgeschaft. Dit pakte niet goed uit voor het melkveebedrijf. Op de peildatum, 2 juli 2015, was de nieuwe stal nog niet gereed en de uitbreiding dus nog niet gerealiseerd. De fosfaatrechten die aan het melkveebedrijf bij beschikking werden toegekend door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) werden voor het melkveebedrijf berekend op basis van de bestaande veestapel. Dit stond uiteraard de uitbreiding in de weg. Het melkveebedrijf heeft vervolgens bezwaar gemaakt en beroep ingesteld, maar dit leidde tot niets.
Uiteindelijk heeft het melkveebedrijf in 2019 de pijlen gericht op de kredietverstrekker en bij de Rechtbank Midden-Nederland vorderingen ingediend strekkende tot betaling door de bank van een bij staat te bepalen bedrag als vergoeding voor door hen geleden nadeel vanwege dwaling bij het aangaan van de kredietovereenkomst, dan wel schadevergoeding wegens schending door de bank van de zorgplicht. De rechtbank heeft alle vorderingen afgewezen. Bij tussenarrest heeft het Hof Arnhem-Leeuwarden de bank toegelaten tot het leveren van tegenbewijs van de voorshands aannemelijk geachte stelling dat de bank voorafgaand aan het sluiten van de kredietovereenkomst níet heeft gewaarschuwd voor de mogelijke invoering van productiebeperkende maatregelen zoals het fosfaatrechtenstelsel, en de daaruit voortvloeiende risico’s voor de bedrijfsvoering en financiële positie van het melkveebedrijf.
In cassatie klaagt de bank onder andere dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting van de bancaire zorgplicht bij kredietverstrekking aan ondernemers, zoals de maten van het melkveebedrijf. Het hof heeft volgens het onderdeel niet onderkend dat de inhoud en de reikwijdte van die zorgplicht in een geval als dat van het melkveebedrijf beperkt zijn, nu een geldlening niet een ingewikkeld financieel product is en de cliënt een onderneming is (en geen consument). Ook stelt de bank dat het hof heeft miskend dat de mogelijkheid dat wetgeving verandert een ondernemersrisico is.
Rb. Midden-Nederland 31-12-2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:7514
RAV 2025/38.
Levensverzekering. Maritaal derdenbeslag.
Mocht de levensverzekeraar met inachtneming van art. 479kc Rv toelaten dat de ex-partner van de verzekeringnemer als begunstigde fondswisselingen onder de levensverzekering deed terwijl hierop een maritaal derdenbeslag rustte?
Een stel, bestaande uit eiseres en haar ex-partner, is in gemeenschap van goederen getrouwd. Onderdeel van de huwelijksgemeenschap was een levensverzekering in de vorm van een beleggingsverzekering, Volgens de polis was de ex-partner zowel de verzekeringnemer als de verzekerde. Eiseres was één van de (secundair) begunstigden van de levensverzekering. Als zodanig kon zij recht hebben op de uitkering op de einddatum van de verzekering, of een eerdere uitkering bij vroegtijdig overlijden.
Na verloop van tijd is het huwelijk tussen eiseres en haar partner ontbonden door echtscheiding. In het kader van die echtscheiding en de vrees voor verduistering van de levensverzekering, heeft eiseres op 28 juli 2016 maritaal derdenbeslag gelegd onder de verzekeraar. De rechtbank heeft beslist dat de levensverzekering in het kader van de echtscheiding moet worden gesplitst, waarbij aan de ex-partner en eiseres ieder de helft van de waarde zou toekomen. Vervolgens heeft de ex-partner besloten om een aantal fondsbeleggingen te laten te verkopen en in een rentedepot te stoppen. Toen de rente vervolgens (vrijwel) negatief werd, heeft de ex-partner het rentedepot ingewisseld voor beleggingen in een biotech bedrijf. De koers van dí beleggingen is daarna fors gedaald.
Eiseres stelt dat de fondswisselingen hebben geleid tot een forse waardevermindering van de (uitkeringen onder de) levensverzekering, waardoor zij minder geld heeft ontvangen na de echtscheiding (dan verwacht?) en dus schade zou hebben geleden.
Eiseres vindt dat de verzekeraar gezien het maritaal beslag niet had mogen toelaten dat haar ex-partner de hiervoor genoemde fondswisselingen liet uitvoeren. Het toestaan van de fondswisselingen zou volgens eiseres vallen onder de blokkerende werking van art. 479kc Rv. Omdat de verzekeraar zich daaraan niet heeft gehouden, kan zij worden gezien als zuiver schuldenaar en kan zij worden veroordeeld voor de schade door niet-nakoming op grond van art. 477a lid 4 Rv, aldus eiseres. Met dezelfde onderbouwing stelt eiseres de verzekeraar ook aansprakelijk op grond van wanprestatie uit art. 6:74 BW en op grond van onrechtmatigde daad ex art. 6:162 BW.
HR 04-10-2024, ECLI:NL:HR:2024:1384
RAV 2024/12.
Bestuurdersaansprakelijkheid. Schadevergoeding. Matigingsbevoegdheid.
Wat is het toetsingskader en de reikwijdte van de matigingsbevoegdheid indien de rechter wenst af te zien van toekenning van volledige schadevergoeding?
Het betreft een Caribische zaak over de interne aansprakelijkheid van twee (voormalige) bestuurders jegens de Curaçaose rechtspersoon waarvan zij bestuurder waren. Deze rechtspersoon, een stichting, was op Curaçao gevestigd en had tot doel het verstrekken van voorzieningen bij ziekte aan on- en minvermogenden, alsmede (gepensioneerde) overheidswerknemers en hun gezinsleden. Tussen 2011 en 2013 heeft de stichting verschillende, hoge bedragen uitgegeven aan onder meer een beëindigingsvergoeding voor een samenwerkingsovereenkomst, opdrachten aan een accountantskantoor en nooit geleverde mondkapjes.
De stichting heeft tegen twee bestuurders diverse aangiftes gedaan wegens het vermoeden van financiële onregelmatigheden, hetgeen op Curaçao tot de nodige publiciteit heeft geleid. Uiteindelijk heeft de stichting bij het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao een verklaring voor recht gevorderd dat de bestuurders toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de behoorlijke vervulling van hun bestuursfunctie zoals bedoeld in art. 2:14 BW Curaçao en dat zij op die grond aansprakelijk zijn voor de door de stichting geleden schade. Hierbij heeft de stichting hoofdelijke veroordeling gevorderd van de bestuurders tot vergoeding van die schade. Het Gerecht oordeelde dat de bestuurders in strijd met de statuten hadden gehandeld en op die grond aansprakelijk waren voor de door de stichting geleden schade, en heeft de schadevergoedingsvordering voor een lager bedrag toegewezen.
In hoger beroep heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba een tussenvonnis gewezen en vervolgens bij eindvonnis de uitspraak van het Gerecht bevestigd. Hierbij heeft het Hof acht geslagen op een matigingsverzoek van de bestuurders ex art. 6:109 BW Curaçao. Op basis van de specifieke feiten en omstandigheden heeft het Hof hierbij de uiteindelijk door ieder van de bestuurders te betalen schadevergoeding onder uitgebreide motivering op een aanzienlijk lager bedrag gesteld. In cassatie klaagt de Stichting over dit matigingsoordeel.
